KORTE BIOGRAFIE (1200-1268) |
|
![]() |
Wie
is toch die Beatrijs van Nazareth,
|
Als vijfjarige kent zij de psalmen uit het
hoofd en haar moeder Geertrui wil haar dan al naar school sturen. Toen
haar moeder echter twee jaar later sterft, vertrouwt haar vader haar toe
aan een groepje begijnen te Zoutleeuw, waar zij wordt onderwezen in de
'artes liberales' van die tijd en waar ze ook Latijn leert. |
||
| Op tienjarige leeftijd vinden we haar in de kloosterschool van de abdij Bloemendael, nabij Waver, waar ze haar verdere intellectuele vorming ontvangt. Haar vader beheert de pachtgelden en andere inkomsten van deze abdij. Het is een benedictinessenabdij die, onder de leiding van abdis Genta en met de steun van Beatrijs’ vader, overgaat naar de cisterciënzerorde, een overgang die in 1218 officieel goedgekeurd wordt. Op vijftienjarige leeftijd vraagt ze om daar novice te mogen worden. Ze wordt toegelaten. Een jaar later, op 16 april 1216 doet ze professie. Kort daarna wordt Beatrijs naar Rameia gestuurd om zich te bekwamen in de schrijfkunst en de verluchtingskunst in het beroemde scriptorium. Hoewel Beatrijs' verblijf daar slechts een jaar duurt, wordt het een belangrijke periode voor haar. Zij ontmoet daar Ida van Nijvel met wie zij een diepe geestelijke vriendschap sluit, die duurt tot Ida's overlijden in 1231. Ida is slechts drie jaar ouder dan Beatrijs, maar ze beschouwt haar toch als haar geestelijke moeder. |
|
|
|
In 1221 wordt het klooster Maagdendael voor monialen te
Oplinter gesticht. Beatrijs wordt daar, met vader, broer en zussen en
enkele andere communiteitsleden naar toe gezonden. |
|
|
|
In mei van datzelfde jaar verhuist Beatrijs met haar medezusters, haar vader en broer naar het nieuwe klooster. Er komen spoedig nieuwe kandidaten. Beatrijs wordt aangezocht om hun novicenmeesteres te zijn.
|
| Een
jaar na aankomst wordt er een abdis gekozen en Beatrijs wordt tot
priorin benoemd. Ze blijft dat ambt vervullen tot aan haar dood. Op
Kerstmis 1267 wordt ze ziek en op 29 augustus 1268 overlijdt ze. Ze is
achtenzestig jaar oud.
|
||
|
Omstreeks 1250 redigeert Beatrijs haar |
|
|
SEVEN MANIEREN VAN MINNE |
|
Van
de hand van Beatrijs is ons slechts één tekst overgeleverd. Dit ene
traktaat van haar is echter een meesterwerk uit de mystieke literatuur. Volgens de jezuďet Albert Deblaere (1916-1994), één van de beste kenners van de Nederlandse mystieke literatuur, gaat het bij de christelijke mystiek wezenlijk om een directe en passieve ervaring van Gods tegenwoordigheid. Men kan in deze omschrijving vier elementen onderscheiden: het gaat om een ervaring en niet om een overweging of een redenering. Vervolgens is er in deze definitie sprake van een ervaring van God, die rechtstreeks verloopt. God bedient zich niet van een woord, een beeld of een medemens om iets van zichzelf mee te delen, maar doet dit rechtstreeks; Hij neemt a.h.w. een binnenweg. Tenslotte is de ervaring passief; de ervaring overkomt de mens volkomen onverwacht, zonder dat hij erop voorbereid was.
|
|
Het
woord ‘mystiek’ waarmee men een dergelijke ervaring omschrijft,
dateert van de vijftiende eeuw. Daarvóór sprak men van
‘contemplatio’ of
‘Godschouwend leven’. Bij
het lezen van een mystieke tekst is het belangrijk te beseffen dat een
mystieke auteur niet onmiddellijk didactische bedoelingen heeft.
Het gaat er niet om niet-mystieke lezers te leren hoe men tot
mystiek komt. Een mystieke ervaring is helemaal afhankelijk van Gods
initiatief. Iedere lezer daarentegen die gevoelig is voor schoonheid en
die in staat is deze te bewonderen, kan een mystieke tekst zoals die van
Beatrijs lezen.
|
|
Zowel
bij Beatrijs als bij Hadewych slaat het woord ‘minne’ op de
liefde tussen God en mens. Intermenselijke liefde kan in het
Middelnederlands ook met dit woord aangeduid worden (cf. profane minnepoëzie)
maar in de tekst van Beatrijs heeft het begrip minne een uitdrukkelijk
religieuze betekenis.
|
|
|
|
De
‘eerste wijze’ van minne
beschrijft het fundament van het hele traktaat : het verlangen, te
leven volgens het Beeld en de Gelijkenis waartoe de ziel geschapen is,
een verlangen dat voortkomt uit minne en dat gericht is op de adel, de
zuiverheid en de vrijheid van de mens. De
‘tweede wijze’ bestaat in het beminnen zonder maat en zonder loon,
boven elke menselijke berekening uit. De echte liefde tot God is niet
gebaseerd op berekening. De
‘derde wijze’ is de
keerzijde van dit verlangen. God zo beminnen gaat de menselijke
capaciteit te boven. Niettemin bedaart het verlangen niet. |
De ‘vierde wijze’ beschrijft de onverwachte mystieke ervaring. God zelf neemt plots het initiatief en doet onverwacht zijn nabijheid voelen (een directe en passieve ervaring van Gods tegenwoordigheid). De
‘vijfde wijze’ is de
keerzijde van deze ervaring: een woedende storm, een oerverlangen. De
mens heeft een liefde ervaren die hij niet voor mogelijk hield, en dat
wekt een onstilbaar verlangen tot wederliefde. De
‘zesde wijze’ beschrijft
de ervaring helemaal opgenomen te zijn in Gods leven, en het besef dat
alleen Gods minne aan het werk is. Hier ontdekt de mens zijn diepste
adel: de vrijheid van de liefde zoals die in Gods leven beleefd wordt. De ‘zevende wijze’ vormt opnieuw de keerzijde van dezelfde werkelijkheid. Het gaat om het mateloze verlangen om definitief bij Christus te zijn, om volledig in zijn goddelijk leven te mogen delen. Wanneer de mens hierin mag delen en ervaart ‘zoon in de Zoon’ te zijn, dan verlangt hij niets liever dan zich volledig als Christus te kunnen wegschenken. Gods leven en de deelname eraan is geen eindpunt waarin alles stilvalt, het is het begin van het ware leven. |
|
|
|
![]() |
Deze
korte toelichting is ontleend |
|
|
Zie
ook de doctoraatsverhandeling |