DE OBSERVANTE MONNIK
"Beetje bij beetje, werd de
gestrengheid van La Trappe en vooral van Valsainte, wat
minder en tot haar juiste proportie teruggebracht. Dankzij
het opnieuw ontdekken van de cisterciënzerschrijvers van de
twaalfde eeuw, werd de aandacht meer gevestigd op de Heilige
Schrift en op het liturgisch en inwendig gebed." [André
Louf, La voie cistercienne, blz. 38]
DE OVERGANG
Toch waren er reeds schuchtere tekenen van
vernieuwing te bespeuren: de publicatie in 1950 van het
pauselijk document "Sponsa Christi", dat de monialen o.a.
verplichtte door degelijke arbeid te voorzien in hun
levensonderhoud.
In 1959 roept de toenmalige Generale abt dom
Gabriël Sortais, voor het eerst sinds de oprichting van de Orde
in 1892, de abdissen samen voor een Algemene Vergadering in
Cîteaux. In 1971 werden deze samenkomsten weer Generaal Kapittel
genoemd en werden de abdissen betrokken in het bestuur van de
Orde.
Nog steeds bestonden de communiteiten uit
lekenbroeders of lekenzusters en koristen. Ook de communiteit van
Nazareth. Gedurende heel de twintigste eeuw werd de tendens om
dit verschil weg te nemen steeds sterker. Het Tweede Vaticaans
Concilie gaf de doorslag. Het Generaal Kapittel van mei 1965
vraagt en verkrijgt nog hetzelfde jaar de goedkeuring van de
Heilige Stoel voor de eenmaking van de communiteiten.
In 1966 gebeurt de eenmaking van de
communiteit in Nazareth: elke lekenzuster mag het 'Decreet van
Eenmaking' ondertekenen. In verschillende abdijen zetten lang
niet alle conversen deze stap, wat in de komende jaren de
werkelijke eenheid in de gemeenschappen bemoeilijkte.
In de vijftigerjaren gebeurden ook de eerste
vernieuwingen in de liturgie: het officie van O.L.Vrouw, ‘De
Beata', moest niet meer gebeden worden op feesten van Maria;
later werd het vervangen door een antifoon ter gedachtenis van
Maria in elk officie. Het officie van de overledenen, ‘De
defunctis', op elke feria dag, werd vervangen door één per
maand. De publicatie van de Constitutie van de Liturgie 1963
bracht een diepgaande verandering teweeg. In 1965 staat het
Generaal Kapittel het gebruik van levende talen toe in de
liturgie. In de Nederlandse regio wordt dadelijk van wal
gestoken met het oprichten van een vertaalcommissie. In 1967
groeit hieruit de IWVL (Intermonasteriële Werkgroep voor
Liturgie), die heel onze monastieke liturgie zal herwerken tot
een harmonisch Nederlands koorgebed dat eenvoudiger was en de
meesten meer aansprak. Maar Rome vertrouwde die allereerste
experimenten niet erg. Zo kregen we nog in 1965 de secretaris
van de postconciliaire Raad voor Liturgie te Rome, Mgr. Bugnini,
op bezoek in onze abdij. Hij vertrok echter gerustgesteld!
Op 25 februari 1966 zongen we in Nazareth ons
eerste officie in het Nederlands: de Completen; voor velen een
vreugdevolle beleving omdat zo het innerlijk gebed
rechtstreekser gevoed werd, voor anderen daarentegen een offer
van het vertrouwde dierbaar Latijn en gregoriaans.
EXPERIMENTEN
Het Generaal Kapittel van 1969 was beslissend
voor de toekomst. Men voelde er werkelijk de aanwezigheid en de
werking van de Heilige Geest. Naast een verklaring over de
essentie van ons contemplatief cisterciënzer leven legde het
normen vast waarbinnen elke gemeenschap haar eigen leven kon
structureren: het 'Statuut van Eenheid en Pluriformiteit' (SUP).
Ook in onze gemeenschap kwamen we in gesprek wat voerde tot
ingrijpende veranderingen in 1968/69:
-
de tekentaal werd vervangen door het gesproken woord,
wat een persoonlijk verantwoord gebruik van het woord vroeg
binnen overeengekomen afspraken;
-
de slaapzaal werd omgebouwd tot monastieke cellen;
-
het slot: we zouden onze families ontvangen zonder
afscheiding door tralies.
De jaren daaropvolgend werden een lange
periode van tastend zoeken naar aanpassing en vernieuwing. En we
mogen er niet aan twijfelen dat dezelfde Geest de Orde heeft
bijgestaan in die jaren om te groeien naar een nieuwe versie van
onze Constituties zoals het Vaticaans Concilie dat aan alle
Ordes en Congregaties vroeg. Deze tekst werd na veel studie,
overleg en bewerkingen door de Generale Kapittels van de jaren
1984 en 1985 goedgekeurd. Vijftien jaren waren nodig geweest om
tot dit resultaat te komen. In 1990 werd de tekst bij decreet
door Rome goedgekeurd:
"Moge deze tekst zich een werkzaam
instrument betonen waarvan de Orde zich kan bedienen om te
groeien in trouw aan haar charisma, volgens de geest van het
Tweede Vaticaans Concilie, en beter in staat te zijn haar
eigen taak in Kerk en wereld te vervullen".
[Constituties, Inleiding, 4]
EEN WERELDORDE
Alhoewel er reeds in de negentiende eeuw
stichtingen gebeurden buiten Europa en Noord-Amerika (Afrika,
o.a. door de abdij Westmalle, China) komt de grote uitbreiding
eerst op gang tegen het einde van de vijftiger jaren onder
impuls van dezelfde generale abt. In de jaren na de Tweede
Wereldoorlog verspreidt de Orde zich in Australië, Japan,
Indonesië, Zuid-Amerika. Dit verplichtte het Generaal Kapittel,
reeds v óór het Vaticaans Concilie, tot de aanpassing van het
monastiek leven met zijn éénvormige structuren aan verschillende
culturen. Op deze wijze vond de Orde zich goed voorbereid om de
dubbele taak op zich te nemen die het Tweede Vaticaans Concilie
aan alle kloosters oplegde: terugkeer naar de bronnen, naar de
geest van de stichters en de concretisering daarvan aan te
passen aan de eisen van de tijd.
De stichting van onze abdij in 1950 gebeurde
nog op de vanouds voorgeschreven wijze: twaalf monialen van de
abdij O.L.Vrouw van Soleilmont (Charleroi) met de overste,
kwamen naar de Brechtse heide waar de in aanbouw zijnde abdij in
zoverre klaar was dat de zusters er het streng pauselijk slot
konden bewaren en het koorgebed volbrengen. Intussen werd verder
gebouwd onder de kundige leiding van de abt van de abdij van
Westmalle en met hulp van de broeders. De communiteit groeide
snel aan: in 1962 telde ze reeds 61 leden. Het aanbod aan de
Orde van een domein in Californië leek een indicatie van de
Geest om daar een stichting te ondernemen. Ze gebeurde ook nog
op de traditionele manier.
Toen in 1970 een groepje van zeven zusters in
Limburg het cisterciënzerleven begon, was dit een opzet in de
geest van de tijd: een kleine groep in een kleine behuizing;
eenvoudig koorgebed en vereenvoudigde kleding. Dit alles om de
zusterlijke verbondenheid en het beschouwend karakter meer kans
te geven.
In de loop der daaropvolgende jaren valt deze
kleinschaligheid van de projecten op. De meeste ontstaan in de
ontwikkelingslanden door autochtone kernen die om vorming vragen
in een abdij, meestal in Europa. Na hun professie keren ze naar
hun land van oorsprong terug om daar het cisterciënzerleven in
te planten.
Is het niet betekenisvol dat de abten en
abdissen kapitulanten in 1990 de abt van een Argentijnse abdij,
Dom Bernardo Olivera, hebben gekozen om generaal abt van de Orde
te worden? Met 93 monniken- en 65 monialenabdijen, is de Orde
heden verspreid over alle werelddelen. Uit de jonge stichtingen
in Derde Wereldlanden - en ze blijven toenemen - stroomt een
sterke, frisse bezieling door de Orde.
TOEKOMSTDROMEN
En de evolutie binnen de Orde gaat verder. In
een merkwaardige conferentie tijdens het Generaal Kapittel
(1996) legde Dom Bernardo de vraag voor: "Wat zijn mijn vurige
verlangens, waarvan droom ik, wanneer ik mijn creatieve
verbeelding de vrije loop laat in verband met de Orde aan het
begin van het volgend millennium, bij de viering van haar
negende eeuwfeest?"
De belangrijkste gedachte van Vader Generaal
is wel de werkelijke eenheid van de grote cisterciënzerfamilie:
monniken en monialen van de Gewone Observantie en van de
Strikte. Met het oog op de viering van het negende eeuwfeest van
Cîteaux, in de moederabdij van de Orde wordt gewerkt aan een
gemeenschappelijke "Carta Unanimitatis in Diversitate" (Charter
van eenheid in verscheidenheid). Hierin verklaren we:
"Op dit moment van dankzegging, zijn wij,
leden van de cisterciënzerfamilie, één in onze wil om
wederzijds dichter naar elkaar toe te komen. De genade
zonder voorgaande van deze viering geeft ons de hoop en de
beslistheid datgene samen te doen wat er samen gedaan kan
worden, verenigd te zijn in gebed en elkaar wederzijds te
steunen in de rijke uitdrukking van het éne
cisterciënzercharisma in al zijn verscheidenheid."
Reeds sinds 1968 groeide er tussen Nazareth
en de cisterciënzerinnen van de abdij Mariënlof, Coolen/Kerniel
van de Gewone Observantie, een zusterlijke vriendschapsband van
wederzijdse hulp.
Een gedurfde gedachte is de integratie tussen
monniken en monialen: een abdis zou bijvoorbeeld mater immediata
kunnen zijn van haar eigen stichtingen en van de monniken; of
visitatrix voor de monialen en voor de monniken; onderling
afhankelijke permanente raden voor de Generale Abt (Dit is in
gewijzigde vorm reeds verwezenlijkt door de aanwezigheid van
twee monialen in het generalaat te Rome, een Japanse en een
Vlaamse, die de vergaderingen van de permanente raad van de
Generale Abt bijwonen); een Vader Generaal of een Moeder
Generaal; monialen die retraites geven, enz.
Een laatste gedachte betreft de
charismatische associaties van leken, die op een of andere
manier verlangen ons cisterciënzercharisma te delen. We kennen
in de Orde reeds inwonende oblaten die zonder geloften, lid zijn
van de gemeenschap. Nu bestaan er ook diverse groepen van leken
die op verschillende niveaus geassocieerd zijn met één of andere
abdij van de Orde: de abdij van Cîteaux, abdijen in de Verenigde
Staten en in Argentinië.
"Dit feit mag begrepen worden als een
teken dat de Geest eveneens verlangt dat wij het
cisterciënzercharisma met hen delen, zodat het ook een
seculiere vorm ontvangt in onze huidige geschiedenis".
EN NU ?
Dan rest ons een laatste vraag: Waartoe
monnik-zijn in onze tijd? Voelen jongeren zich nu nog
aangesproken om ons leven te delen?
Wat is een monnik? Wat is een moniale? Is het
niet een geroepene die ontvankelijk is voor de Liefde die God de
mens toont in Christus en die daarop antwoordt door Hem Vader te
noemen en Hem te loven in een broedergemeenschap van delen en
dienen. De cisterciënzermonnik wijdt daaraan zijn leven, en
trekt zich daarvoor terug in eenzaamheid en stilte.
"Gescheiden van allen, doch met allen
verbonden" zegde Evagrius, een woestijnmonnik, reeds in de
vijfde eeuw.
Dit leven wil hij gastvrij delen met wie in
nood is, met wie verlangt te bidden, met wie God zoekt. Zo
probeert hij iets van Gods aanwezigheid in deze wereld te doen
oplichten voor de mens van de eenentwintigste eeuw, ook voor de
jongeren van het derde millennium.
Zullen ze komen? Dit is het geheim van de
koning. Geen enkele gemeenschap draagt de belofte van
onsterfelijkheid. Het Clairvaux van Sint-Bernardus is omgevormd
tot gevangenis! Grote abdijen waar ontelbare gelukzaligen uit
voortkwamen werden ruïnes, zoals Villers, Ter Duinen in
Koksijde. Onze abdij zelf is de voortzetting in Brecht van de
dertiende-eeuwse abdij Nazareth te Lier, waar de zalige Beatrijs
leefde. Maar het monastiek leven bleef en het is mijn gelovige
overtuiging dat het, voortdurend door de Geest vernieuwd en
verjongd, zal blijven leven in de Kerk.
DE HUIDIGE SITUATIE IN BELGIË
Vanaf de 17e eeuw ontstonden er in de Orde
van Cîteaux veel splintercongregaties, waarvan velen het gezag
van Cîteaux niet meer aanvaardden.
In 1892 werden op vraag van Paus Leo XIII
twee cisterciënzercongregaties erkend :
-
Cisterciënzers van de Gewone Observantie, waarvan in
België twee mannenkloosters zijn, Bornem en Val-Dieu; en één
vrouwenklooster, Coolen-Kerniel (bij Borgloon).
-
Cisterciënzers van de Strikte Observantie (trappisten en
trappistinnen), waarvan nog 6 vrouwenkloosters bestaan,
Bouillon, Bocholt (priorij Klaarland), Brecht (O.L. Vrouw
van Nazareth), Chimay, Fleurus en Tilff. Er zijn nog 6
mannenabdijen, Achel, Orval, Rochefort, Scourmont, Westmalle
en Westvleteren.
Er zijn cisterciënzerinnen die een autonome
congregatie geworden zijn :
-
Congregatie van de Bijloke te Gent (4 kloosters)
-
Dames Bernardinnen van Oudenaarde (7 kloosters)
-
Religieuses Bernardines d'Esquermes (2 kloosters)
-
Bernardinessen-Reparatricen (2 kloosters)
|
|