SPIRITUALITEIT

Hieronder kunt u een artikel lezen
dat ooit geschreven werd
door één van onze zusters.

ACHT CISTERCIENZERVUURSTENEN

Acht stenen. Geen gewone stenen. Vuurstenen. Vuurstenen die cisterciënzervonken verspreiden. Maar niet zomaar. Een vuursteen op zichzelf kan geen vuur aansteken. Vuurstenen moet je tegen elkaar laten ketsen. Hoe meer stenen, hoe meer vonken. Allemaal verschillende vonken van diezelfde cisterciënzerrealiteit. Allemaal vonken die teruggaan op het vuur van de Geest... of de liefde van Christus die ons hart brandend houdt.

1. Een cirkel om mij heen: behoud en doorstap

 Door mijn 'gelofte' aan deze plaats, 
wordt zij voor mij 'belofte'.

Voor een wereld die droomt van ongebreidelde vrijheid valt het niet te begrijpen dat mensen zich vrijwillig terugtrekken binnen de muren van een slotklooster. Voor hen staat dit gelijk met een zich afsluiten van de wereld in een grote onverschilligheid voor het lijden en de noden van mensen.
De eerste jaren 'in het slot' zijn inderdaad niet altijd vanzelfsprekend. Ik word geconfronteerd met een veel beperktere bewegingsruimte: er is de abdij en de grote tuin. Alles gebeurt binnen die muren: gebed en arbeid, rust en ontspanning, goede of kwade dagen... Ik ontmoet voortdurend mensen, dezelfde mensen, mijn monastieke zusters.
Die beperking is eigenlijk geen uiterlijke ascese, maar heeft een dieper doel op het oog, nl. de verandering van mijn blik, van mijn ogen. Er komen geen prikkels meer van buiten zodat mijn blik naar binnen keert. Ik kan mijzelf niet meer ontlopen en stoot op mijn grenzen, met alle - ongekende - zwakheid, agressie, angst, verdriet, zondigheid... die ik daar ontmoet. Zo kom ik op het scharnierpunt van een gezonde slotbeleving: de strijd van het hart. Durf ik naar mijzelf kijken in al mijn schamelheid en opent deze povere realiteit van mezelf mij op het lijden van mensen - in grote mildheid en mededogen -, of sluit het mij op (‘slot') in mijzelf, in zelfbeklag, in navelstaarderij ?
Die muren die mij eerst leken af te schermen van de wereld, maken mij nu zoveel ontvankelijker voor de noden en het leven daarbuiten van zoveel ontelbare mensen - veel ruimer dan de noodzakelijk-beperkte, persoonlijke contacten van vroeger. Een muur van cisterciënzerstenen. Geen archaïsche afsluiting maar kansen tot diep verbonden leven met God, met zijn mensen en met heel zijn schepping.

2. Suikerbieten en cenobieten

Cenobieten zijn monniken die in een klooster samenleven 
en dienen onder een regel en een abt.”
 
(Regel van St.-Benedictus voor monniken)

'Suikerbieten en bloemzakken', dat is volgens sommigen de definitie van kloosterlingen. Enerzijds 'bloemzakken' : mensen die heel de dag stil zitten, nauwelijks nog gevoelens hebben en weinig te bieden hebben aan de wereld. Anderzijds 'suikerbieten' : mensen die zoet-fladderend door het leven gaan zonder de confrontatie met de harde realiteit van het (dagelijkse) leven.
Toen ik intrad, dacht ik niet aan suikerbieten. Wel aan 'suikerheiligen'. Ik vermoedde dat ik de rest van mijn leven zou doormaken in een rustige, vredige gemeenschap van voorbeeldige zusters. Ik hoefde me slechts toe te vertrouwen aan deze communiteit die me als vanzelf op weg zou zetten naar de God die ik zocht. Wellicht was dit de eerste grote ontgoocheling van mijn monastiek leven: de ontdekking - en God-zij-dank ! - dat deze communiteit gevormd wordt door heel gewone mensen, die zoals elke sterveling dagelijks strijden met hun onhebbelijkheden, humeurtjes, antipathieën en zwakheden. En het zijn warempel niet allemaal vrouwen met een gelijkaardig karakter. Ik heb zelden zo'n uiteenlopende groep zien samenwonen als onze monastieke gemeenschap. Het enige wat ons samenbrengt, is immers onze roeping en die behoudt Onze-Lieve-Heer niet voor aan doetjes of meelopers... De traditie vergelijkt al die verschillende temperamenten (en botsingen vandien) vaak met keien (cisterciënzerstenen) die aan elkaar gepolijst worden om de scherpe kantjes af te ronden. Geen suiker-bieten dus, maar ceno-bieten, die in een 'cenobium' (klooster) samenwonen als gemeenschap en hun leven laten bepalen door een regel en een abdis.
Wat onze cenobietengemeenschap in onze huidige samenleving ook sterk kenmerkt, is 'onze 100 % biologische afbreekbaarheid'. Wie intreedt in het monastiek leven, blijft er tot de dood, tot de volle 100 %. Niemand krijgt ontslag op 65, niemand moest tot nog toe verhuizen wanneer de zorg groot werd. Onze oudere zusters blijven volwaardig lid van de gemeenschap. Leven en dood zijn in een organisch evenwicht aanwezig in het concrete leven, zowel in de kleine momenten van elke dag als bij de ultieme doortocht naar het volle Leven.

3. De deur: begin en eindpunt - over maat en ritme  

Thomas Merton vroeg ooit een zen-monnik welke monastieke waarden 
hij de postulanten het eerst aanleerde. 
De zen-monnik antwoordde: 
"Ik leer hen in het begin geen enkele monastieke waarde. 
Ik leer hoe ze een deur kunnen openen en sluiten".

Deuren staan centraal in het klooster. Het zijn méér dan toegangsmiddelen of symbolen voor het slot. Het zijn uitingen van het leven en de gemoedstoestand van een monnik. Eén van de eerste dingen die me in het klooster gevraagd werd, is zachtjes om te gaan met deuren. Later bleek het - soms - één van de moeilijkste dingen te zijn: heb je al eens, vol woede, zachtjes een deur dicht gedaan ? Daar moet je veel training in innerlijke vrede (apatheia) voor achter de rug hebben. Een training die ondersteund wordt door de vaste structuur van het kloosterleven.  
In het klooster leven wij in een zeer natuurlijk ritme: vroeg opstaan, vroeg slapen. De eerste en de laatste uren van de dag zijn God-gewijd. De 'hitte' van de dag wordt voorbehouden voor de arbeid, met enkele gebeds- en rustonderbrekingen. Elk jaar wordt opnieuw bepaald door de liturgische tijden. Het systematisch, dag in dag uit, leven op dit ritme geeft een grote vrede. Het schraagt het leven met alle wisselvalligheden vandien. Het is een blijvende opdracht, een ascese voor elke moniale, dit ritme te respecteren en er trouw aan te blijven. Niets afpeuteren van de nachtelijke uren, bij het luiden van de klok het werk durven neerleggen, het onderscheid handhaven tussen gebedstijd, arbeidstijd en persoonlijke tijd, leven in het nu zonder herinneringen te koesteren of weg te dromen in mooie toekomstfantasieën, kortom totaal aanwezig zijn in wat we doen en zijn.

4. Een levende traditie of een traditioneel leven

Een abt zei: 
"Monnik word je niet aan een boekenkast, 
maar aan een persoon".

Is ons leven traditioneel, vastgeroest, niet bij de tijd ? Zweeft er een vleugje romantiek rond het abdijleven ? Wie de binnenkant van het monastiek leven leert kennen, weet beter. Het westers monastiek leven is ingebed in een eeuwenoude traditie. De levendigheid, de vurigheid van mensen die al die tijden door dit ideaal beleefden, getuigen van deze boeiende, levende traditie.  
Het monastieke leven wordt doorgegeven 'van vader op zoon - van moeder op dochter'. Het geestelijk vaderschap is de spil van de monastieke vruchtbaarheid. Een monnik wordt geboren aan een monastieke vader/moeder.
Wie intreedt in het monastiek leven, vertrouwt zich toe aan een geestelijke moeder: een moniale die zichzelf heeft toevertrouwd aan een omvormingsproces waardoor zij dit leven incarneert. De geestelijke moeder kenmerkt zich door een groot onderscheidingsvermogen, mededogen en een vrij hart, verzoend met zichzelf, dat leeft vanuit Christus. De traditie leert dat alles door de jongere mag worden uitgesproken. Hoe zondig, hoe beschamend, hoe duister nog, alles wat toevertrouwd wordt aan het licht wordt zelf licht: "In Uw licht zien wij licht". In dat God-menselijk licht van barmhartigheid groeit verzoening met de eigen schaduwkanten. Wie zich op die manier durft toevertrouwen aan deze 'grijsaard' (die helemaal (nog) niet grijs hoeft te zijn), gelooft dat Christus door die persoon tot haar zal spreken. In een houding van openheid en gehoorzaamheid erkent de jongere haar onervarenheid en laat zij zich gidsen op de monastieke weg. Het is dé weg om als jongere te groeien in zuiverheid van hart, Christus tegemoet.

5. Bekoring en bekering (monastiek mopperen)

Voor alles moet voorkomen worden, 
dat het kwaad van de ontevredenheid 
onder welk voorwendsel dan ook 
zelfs maar in een woord of een uiting de kop opsteekt.
(Regel van St.-Benedictus voor monniken)

De Regel van Sint-Benedictus waarschuwt heel uitdrukkelijk tegen het kwaad van het mopperen. Volgens deze monnikenvader is het mopperen een heel subtiel gevaar dat langzaam heel het leven van een monnik - en van zijn communiteit - kan ondermijnen. Van zodra iemand zichzelf op dit euvel betrapt, moet zij het onmiddellijk de kop indrukken.

Wellicht heeft Benedictus zo'n afkeer van mopperaars omdat hij beseft dat dit een erg besmettelijke vorm van onvrede is. Voor onze monnikenvader is vrede het hoogste ideaal van het gemeenschapsleven. Zoek de vrede ! Alles wat deze pax benedictina bedreigt, moet voorkomen of bestreden worden. Omdat mopperen in ons aanvoelen tot de 'kleine zondetjes' behoort, is de bekoring groot er achteloos aan voorbij te gaan en er niets aan te doen. Morren is echter een subtiele vorm van ongehoorzaamheid, een innerlijk zich afkeren van wat gevraagd wordt. De Regel is op dit vlak erg duidelijk: wie gehoorzaamt, maar innerlijk moppert, gehoorzaamt eigenlijk niet. Het mopperen komt voort uit een sterke gehechtheid aan de eigen wil of een niet aanvaarden van eigen grenzen. De weg van de bekering zal dus lopen over het pad van de zelfkennis, het openleggen van gedachten en de zo geprezen benedictijnse gematigdheid. Of zoals iemand onlangs zei: over het pad van het bevrijd worden tot armoede, tot nederigheid, tot fundamentele aanvaarding.

6. Monnikenwerk of ontspanning

Zij zijn juist dan echte monniken, 
als zij leven van het -werk van hun handen, 
zoals onze Vaderen en de Apostelen.
(Regel van St.-Benedictus voor monniken)

Onlangs is het me weer overkomen. Er waren enkele vrienden op bezoek die mij zalig prezen omdat ik zo'n rustig leven had, zonder enige vorm van stress. Althans dat dachten zij. Ik heb hen onmiddellijk uitgenodigd enkele dagen met ons mee te leven: zeven keer per dag zorgen dat je op tijd bent in de kerk, je werk telkens onderbreken door de onverbiddelijke klokken en toch zorgen dat alles op tijd klaar raakt... Het is vaak niet zo eenvoudig !  
Het werk binnen het contemplatieve kader kent andere klemtonen dan de arbeid in onze hedendaagse samenleving.
Voor mij ligt het verschil op drie terreinen: nl. wat we doen, hoe we het doen en dat we het doen...
Wat we doen is nogal eigen aan elke abdij. Naast het huishoudelijk werk zijn er bij ons de activiteiten 'om den brode': het gewaden- en vlaggenatelier, de kleine zeepindustrie... Vaak gaat het om relatief eenvoudig werk, hoewel de 'industriële revolutie' ook binnen de kloostermuren plaatsvond. De computers groeien trouwens sneller aan dan de zusters. Op Sint-Benedictus' vraag om alle producten goedkoper te verkopen dan in de wereld proberen wij consequent in te gaan, al was het maar om duidelijk te maken dat niet het geld, maar veeleer de solidariteit met de werkende mens - in verbondenheid met Gods schepping - het hoofddoel van onze arbeid is.  
Wellicht is ook onze manier van werken anders dan in de buitenwereld. Ik hoop nochtans dat ook daar mensen hun arbeid zien als een uiting van liefde voor hen voor wie ze werken, en eerlijk en nauwgezet handelen met veel zorg voor het materiaal ("Alles beschouwen als heilig vaatwerk", zegt Sint-Benedictus). Het voornaamste is echter dat wij uitgenodigd worden om tijdens het werken verbonden te blijven met de Heer en zijn mensen... door het Jezusgebed of een andere manier om met hart en geest bij Christus te vertoeven. Maar misschien ligt het grootste verschil niet in wat of hoe we onze arbeid verrichten, maar in het feit dat we, eigenlijk om het even welk werk, gewoon doen omdat het ons wordt gevraagd of toevertrouwd. Wij moeten niet werken om een imago op te bouwen, carrière te maken of véél geld te verdienen, maar om in ons levensonderhoud te voorzien. Wij mogen werken als ont-spanning (dus toch geen stress...) om zo de gemeenschap mee op te bouwen, als oefening om onze eigen willetjes wat opzij te schuiven en als training in gehoorzaamheid, om te groeien in ontvankelijkheid voor God en Zijn droom over ons.

7. Geleidelijkheid (Slow motion-leven)

Eeuwenoude wijsheid 
die zowel in de Regel van Sint-Benedictus  
als in de wetgeving van Kerk en Orde besloten ligt, 
schrijft een geleidelijke inwijding voor in het monastiek leven.
(O.C.S.O., Ratio Institutiones en Statuten, n° 17)

Deze cisterciënzervuursteen vertelt iets over het monastiek proces, het proces van vuur maken. Vonken gaan aan en uit. Af en toe lukt het daarmee vuur te maken. Zo gaat het ook in ons leven. De monastieke weg is een weg van geleidelijkheid. Een weg die tijd vraagt - een heel leven lang. Zoals elke christen heel zijn leven lang op weg is om ten volle mens te worden, zo word je ook geen monnik in een jaar, noch in tien jaar. Het is een weg van gaan, vallen en opstaan en herbeginnen. Je bent nooit aangekomen, want altijd liggen nieuwe bekoringen op de loer. Je gaat drie stappen vooruit, en voor je het zelf goed beseft, ben je opnieuw drie stappen achteruit. Het is een weg die je in geloof gaat. In een langzame spiraalbeweging groei je toe naar Christus en zijn Vrede. Het is soms een leven in 'slow-motion', als een film die vertraagd getoond wordt.
In onze samenleving is dit niet altijd gemakkelijk. We zijn vaak productiemensen, die aan een opdracht beginnen en even later een doel willen bereiken, iets dat voorgoed verworven is. Zo gaat het niet in het monastieke leven. We zijn er nooit. Iets wat je dacht te hebben geleerd, glipt opeens weer door de vingers. Waakzaamheid is een erg belangrijke monastieke deugd en kan ons ook behoeden voor hoogmoed en zelfvoldaanheid.  
Een oudere zuster zegt me: "Ik heb het gevoel dat ik steeds meer achteruit ga". Misschien is het juist dat. Leert Vader Benedictus niet dat we stijgen door af te dalen ? Het monnikengeduld is geen vaardigheid die je leert bij je intrede. Het is het resultaat van een leven van geleidelijkheid, van telkens herbeginnen in de zekerheid dat ik Christus tegemoet ga: voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts. Hij wacht op mij. Hem wil ik zoeken.

8. Soberheid en somberheid

De Vaders van Cïteaux  
zochten in alle eenvoud om te gaan met de eenvoudige God. 
Naar hun voorbeeld zal de levensstijl van de zusters 
eenvoudig zijn en sober. 
Alles in het huis van God zal in dienst van die levenswijze, 
zonder enige overdaad, 
worden ingericht zodat de eenvoud zelf voor allen een leerschool is. 
Deze eenvoud zal duidelijk uitkomen 
in de behuizing en de huisraad, 
in voeding en kleding, alsook in de viering van de liturgie.
(O.C.S.O., Constituties voor monialen, C.. 27)


Acht eeuwen geleden leerde Sint-Franciscus ons de vreugde van het arm zijn. Toch staat eenvoud en soberheid voor velen synoniem voor somberheid. In onze abdij en in ons dagelijks leven willen wij sober leven. God spare ons echter voor een leven van somberheid.
Het blijft een spanningsveld in onze tijd om consequent en eerlijk te zoeken naar een eenvoudige levensstijl. Wat betekent dit concreet naar de nieuwe communicatiemedia: e-mail, internet ? En onze behuizing: alle ramen vervangen door nieuwe ramen met dubbel glas omwille van isolatie ? Hierbij raak ik nog niet aan het aspect van kleding en voeding.
Maar soberheid gaat veel verder. In de grond heeft het te maken met de eenpuntigheid van ons leven. Alles staat gericht op één punt, op één Mens, op Christus. In die zin vragen onze constituties aandacht voor soberheid binnen de liturgie. Maar het gaat eveneens over onze relaties, ons sociaal leven. In het klooster kunnen wij niet langer verbonden blijven met een sociaal netwerk waartoe vele personen behoren. Er zit zelfs een existentiële soberheid, een vorm van eenzaamheid ingebouwd in onze relaties, zelfs in onze oprechtste vriendschappen. Wij zullen nooit elkaars leven vullen. Er blijft een openheid (een 'leegte') waar alleen God toegang heeft, het alleenrecht. Soms brengt dit een gevoel van eenzaamheid mee. Dit kan pijnlijk zijn. In de grond is het de nauwe poort om tot een heel diepe verbondenheid met God te komen, want precies in die leegte, daar in mijn hart, wil Christus wonen als diepste kern van mijn bestaan.

***

Hierboven kon u kennismaken met acht cisterciënzervuurstenen die iets vertellen over het leven in onze abdij. Zoals in elk mensenbestaan, is het een leven met grote en kleine kantjes, een leven van dagen dat het vuur op 'waakvlam' staat, maar tevens met heerlijke, genaderijke momenten waarin het Godsvuur hoog oplaait. En elke vuursteen kan daartoe bijdragen.

Naar artikel 2

Terug