Op deze nieuwe pagina brengen we op geregelde tijdstippen
bijdragen van zusters uit onze gemeenschap die we graag met jullie delen

DE WRAAKPSALMEN

Ik herinner me nog levendig een van de laatste gesprekken met m’n moeder voor ik intrad. “Ik kan het niet begrijpen”, zei ze, “dat God je zou vragen alles en iedereen achter te laten. Ik kan overal bidden en bij Onze Lieve Heer zijn, daar heb je toch geen klooster voor nodig!?”. In een poging het uit te leggen antwoordde ik “dat is zo fijn voor jou, maar ik heb dat wel nodig, ik verlang naar een omgeving die me dicht bij Hem houdt, altijd!”.

Ik dacht, met andere woorden, dat het in het klooster makkelijker zou zijn…

Met een nederige glimlach kijk ik nu terug op dat antwoord. Hoe makkelijk, denk ik nu soms, is het om, omgeven door familie, vrienden, bevestiging en affectie, om met andere woorden ‘vanop je nest’ gelovig te zijn. Hoe makkelijk is het om te denken dat God alleen volstaat, als je je niet echt met lege handen weet. In de woestijn van de gesloten kloostergemeenschap, waar je fragiliteit en kwetsbaarheid soms genadeloos blootgesteld en toegetakeld worden, wordt je geloof, je ‘Christen zijn’, veel meer uitgedaagd, getoetst, in de vuuroven geworpen.

Met een gelijkaardige deemoed kijk ik terug op mijn visie op de wraakpsalmen destijds. Zoals psalm 58, die van ‘breek zulke leugenaars en gifdragers de tanden uit de kaak’ – psalm 83, die van ‘gesel die samenspanners uiteen, laat hen vergaan tot dwarrelend stof’ – of psalm 109, die van ‘als dank voor mijn vriendschap vervolging, voor mijn genegenheid haat; laat ze het zelf ervaren, geen hén trouw blijven in vriendschap, niemand naar hén omzien’.

Haat, vervloeking, verderf, vergelding … Ik herinner me nog goed dat ik tegen de novicemeesteres zei: “ik wil die woorden niet uitspreken, ik ken die gevoelens niet, ik wil ze niet kennen!”. Met zoveel weerstand ik die psalmverzen eertijds tijdens het officie prevelde, murmelde, zo van “dit ben ik niet hoor, ik meen het niet hoor God”, met zoveel kracht wellen ze nu soms uit mijn donkerste binnenste op, bijna schreeuwend om eruit gezongen te worden.

Ook dit ben ik dus blijkbaar, ook dit zit dus in mij…

De oudvaders zegden reeds dat het afgezonderde gemeenschapsleven schuurt. Gaandeweg schuren wij mekaar glad. Maar schuren is een ruw gebeuren, en er worden ook lelijke lagen bloot geschuurd, waar gevoelens zitten die ik niet van mezelf kende, die ik dacht niet te hebben. Je identiteit wordt werkelijk uitgeschraapt.  Intussen geloof ik niet meer eenzijdig dat het kloosterleven het beste in een mens naar boven haalt. Alleszins niet in het begin. En hoelang dat begin duurt, weet ik niet. Welke abba was het ook weer die op zijn sterfbed zei dat hij zelfs nog niet begonnen was? Ik denk dat het kloosterleven àlles in een mens naar boven haalt. Omdat God àlles wilt, Hij wilt ons helemaal, integraal.

De wraakpsalmen schudden je wakker, ze doen je schrikken van jezelf. “Ben ik dit?!” Maar zoals Etienne Charpentier het ook zegt, geloof ik nu dat zowel de lofzang als de vloek gebed kunnen zijn, als ze maar écht zijn, waarachtige uitdrukking van wat we beleven, van àlles wat we beleven. Zoals Peter Schmidt zegt: de psalmen leren dat we tegenover God, en doordat we ze samen zingen ook tegenover mekaar, niet de held moeten uithangen, alsof lijden, vijandigheden en eenzaamheid ons niet raken. God wil ons helemaal. Enkel wanneer ik ook het lelijke, het kleine in mij erken, enkel wanneer ik me integraal geef, kan ik ook echt integer worden. Zo bieden de wraakpsalmen tegelijkertijd een uitlaatklep én een spiegel: als de woede en frustratie eruit is, maken ze je net nederig tegenover jezelf en net mild tegenover je medemensen, waarvan je, zo doen ze je beseffen, ten diepste niet zo veel verschilt.

Godzijdank dus voor de wraakpsalmen. En voor de boetepsalmen. Die ons hart weer doen ontzwellen na een wraakpsalmsessie – of meerdere sessies. Verzen die me steeds raken uit psalm 73: “Toen mijn hart zo verbitterd was – want het sneed mij tot op het leven – toen was ik een dwaas en een weetniet (hoewel ik me vaak net dan een ‘weetal’ voel), een redeloos dier in uw bijzijn …. En tóch, was ik niet altijd bij U? Ook toen hield Gij mijn rechterhand vast, misschien wel net toen. En zo volgen de wraak-, boete- en lofpsalmen mekaar als vanzelf op. Wat een straf boek toch die psalmen, en wat een genade dat het zo centraal in ons leven mag staan.